Magna Charta va de Universiteiten

Preambule

Ondergetekenden, de rectoren magnifici van de Europese universiteiten, biieengekomen in Bologna ter gelegenheid van het IXe eouwfeest van de oudste van deze universiteiten, vier jaar voor het jaar waarin de grenzen tussen de landen van de Europese Gemeenschap definitief zullen worden opgeheven, met et vooruitzicht op een bredere samenwerking tussen alle Europese volkeren, in de overtuiging dat de volkeren en staten meer dan ooit zich bewust dienen te worden van de rol die de universiteiten moeten gaan vervullen in een maatschappij waarin zich vele veranderingen voltrekken en die steeds internationaler wordt,

zijn van mening:

1. dat de toekomst van de mensheid op het tijdstip, waarop wij ons nu bevinden, namelijk aan het einde van dit tweede millenium, grotendeels afhangt van de ontwikkelingen op cultureel, wetenschappelijk en technisch gebied die tot stand komen in de centra van cultuur, kennis en onderzoek waartoe de ware universiteiten zijn uitgegroeid.

2. dat de taak van de universiteiten kennis te verbreiden onder de nieuwe generaties tegenwoordig tevens inhoudt dat zij zich richten op de maatschappij als geheel, waarvan de toekomst op cultureel, sociaal en economisch gebied een grote mate van inspanning vereist, met name op het vlak van de permanente educatie.

3. dat de universiteit dient te zorgen voor een zodanige vorming en opleiding van de toekomstige generaties, dat zij in staat zullen zijn een bijdrage te leveren aan het respecteren van het grote en veelzijdige evenwicht tussen het natuurlijke milieu en het leven.

Zij maken aan de staten en het geweten der volkeren de beginselen bekend die nu en in de toekomst de grondslag dienen te vormen waarop de universiteiten hun taken uitvoeren.

Grondbeginselen

1. De universiteit, die in het middelpunt, staat van samenlevingen die als gevolg van geografische omstandigheden en historische ontwikkelingen verschillend zijn georgamseerd,is een onafhankelijke instelling die op kritische wijze door middel van onderzoek en onderwijs cultuur voortbrengt en doorgeeft.

Om open te kunnen staan voor de behoeften van de hedendaagse samenleving, moet zij bij haar inspanningen op het terrein van onderzoek en onderwijs geesteijk, ethisch en wetenschappelijk onafhankelijk zijn van welke politieke of economische match dan ook.

2. In de universiteiten zijn didactische activiteiten onlosmakelijk verbonden met de activiteiten op het gebied van onderzoek, zodat het onderwijs zich voortdurend kan aanpassen aan veranderingen in de behoeften van de maatschappij en in wetenschappelijke kennis.

3. Gezien het feit dat vrijheid van onderzoek, onderwijs en vorming de grondslag vormt voor al het doen en laten van de universiteiten, moeten overheden en universiteiten ieder op het gebied waarop zij competent zijn het handhaven van deze grondregel waarborgen en bevorderen.

Met het afwijzen van onverdraagzaamheid en het voeren van een permanente dialoog is de universiteit een bevoorrecht ontmoetingspunt van docenten die de capaciteiten hebben kennis, zowel als de middelen om deze door onderzoek en vernieuwing verder te ontwikkelen, over te dragen en van studenten die het recht, de wil en de capaciteiten hebben om zich hiermede te verrijken.

4. De universiteit negeert, als de behoeder van de Europese humanistische traditie die echter tegelijkertijd voortdurend streeft naar universele kennis, bij het uitvoeren van haar taken alle geografische of politieke grenzen en draagt de dringende noodzaak uit van wederzijdse bekendheid en culturele interactie.

Middelen

In het kader van voornoemde principes vereist het bereiken van de gestelde doelen doeltreffende middelen die daartoe aan de hedendaagse situatie dienen te zijn aangepast.

1. Om vrijheid van onderzoek en onderwijs te garanderen, moeten de middelen die geschikt zijn voor de verwerkelijking hiervan aan het geheel van de leden van de universitaire gemeenschap worden aangeboden.

2. Bij de werving van docenten&emdash;en de reglementering van hun rechtspositie&emdash;moet het principe van onlosmakelijke verbondenheid van onderzoeks&emdash; en onderwijsactiviteiten voorop staan.

3. Elke universiteit dient haar studenten, rekening houdende met het bijzondere karakter van de gegeven situatie, de vrijheden en voorwaarden te waarborgen, die noodzakelijk zijn om hun doelen op het gebied van cultuur en vorming te bereiken.

4. De universiteiten&emdash;en in het bijzonder de Europese universiteitenzien in de wederzijdse uitwisseling van informatie en documentatie, evenals in de verveelvoudiging van gemeenschappelijke wetenschappelijke initiatieven, de fundamentele instrumenten voor een voortdurende uitbreiding van kennis. Hierom moedigen zij mobiliteit van docenten en studenten aan, waarin zij hun oorspronkelijke rol terugvinden, en zijn zij van mening dat een algemeen beleid gericht op gelijkstelling voor wat betreft rechtspositie, titels, examens (waarbij de nationale diploma's blijven bestaan) en het toekennen van beurzen het belangrijkste nieuwe instrument vormt voor de uitvoering van hun hedendaagse taken.

Ondergetekenden, rectoren magnifici, verplichten zich uit naam van hun universiteit al het mogelijke in het werk te stellen, opdat elke staat en de betrokken supranationale organisaties zich geleidelijk aan kunnen laten inspireren door de bepalingen van dit handvest, dat de unanieme uitdrukking is van de autonome wil van de unversiteiten.

Bologna, 18 september 1988